zaterdag 29 december 2012

De zon gaat op, elke dag opnieuw

Negenennegentig procent van alles waar we bang voor zijn, gebeurt niet. Piekeren is dus zinloos; ik doe het dan ook nooit.
‘Eet, drink, wees vrolijk en bedrijf de liefde.’ Dat is mijn levensmotto.
Ofschoon uit een andere houtsoort gesneden, huldigt onze dorpssmid eenzelfde devies. Hij is een robuuste, grofgebekte kerel wiens vreeswekkende uiterlijk een hart van achttien-karaats goud camoufleert. Vanwege een meningsverschil met een everzwijn hinkt hij een beetje, maar dat is alweer lang geleden. In een eerder boek heb ik al ’ns over hem bericht, maar hij doet me telkenmale weer verbaasd staan en ik mag graag even bij hem aanwippen. Middels kloek laswerk heeft hij onze oude kasteeltractor voor de zoveelste keer van de schroothoop weten te redden, dus ga ik bij hem langs met een in onze streek wettig betaalmiddel: een kist wijn. Ik duw het hek open en betreed wat ooit een tuin was.
Jarenlange smidswerkzaamheden hebben het gemuteerd in een postnuke-decor van bergen verroeste ijzertroep, doormidden geslepen lantaarnpalen en gebutste winkelkarretjes gevuld met stukken spoorrail. Tussen overwoekerde autowrakken wuiven brandnetels. Uit de werkplaats klinkt het gegier van een helse machine doorspekt met gebrulde verwensingen.
Als de smid mij ziet, zet hij het apparaat uit. Het lawaai verstomd. Zijn handen afvegend aan een smerige lap komt hij op me af.
‘Bonjour chef! Ça va?’ Hij steekt een harige klauw vol littekens en bloedende schrammen uit. ‘Un pastis?’
Beleefd sla ik zijn aanbod af. Tien uur ’s ochtends is zelfs voor een wijnboer wat aan de vroege zijde. Maar er is geen ontsnappen aan.
‘Venez!’ Hompelend gaat hij me voor naar het huis. Ik volg hem door bergen schroot. Het pad ligt bezaaid met uitgezaagde stukken plaatstaal, opgekruld betonijzer en afgebroken hekpunten.
‘Vergeet niet straks wat eieren mee te nemen…’ Hij gebaart naar een met gaas afgescheiden gedeelte. Erachter heerst een volledige kaalslag. Geen grassprietje groeit er meer. Alles opgegeten door een troep armzalig kale kippen. Ook in het hok liggen overal verroeste bouten, moeren en weggeworpen stukken ijzer. Hier en daar wordt de woestenij verlevendigd door glasscherven, verbleekte botten en karkassen van kaalgekloven kippen. De kipresten waarop de smid zijn pluimvee trakteert, vormen kennelijk een welkome afwisseling op het dieet van schroeven en moeren.
‘Die kippen leggen ijzeren eieren,’ zeg ik. ‘Die eet ik liever niet.’
Hij grinnikt.
Als ik een uur later weer buiten sta, heb ik m’n armen vol met potten zelfgemaakte wildzwijnsterrine en fanzantenpaté, benevens een beduimelde fles met een handgeschreven etiket dat in half leesbare hanenpoten ‘Vieille Poire’ vermeldt. Een illegaal destillaat welks inname niet van gevaar ontbloot lijkt.
Ik knik naar zijn terras. Alle tegels zijn er uitgebroken en liggen in scherven op een hoop. ‘Aan ’t klussen?’
Hij laat een mondscheet: ‘Mwôah… Nieuwe waterleiding. Maar ik heb geen tijd. Eerst moet het dak van onze Ferme in de Corrèze af.’
Ik krijg een scheut plaatsvervangende stress. Al dat werk…
En dan ook nog een tweede huis verbouwen. Dit is genoeg voor drie mensenlevens. ‘Flinke klus…’
‘Mwôah.’ Hij lacht. ’Komt goed. Hoeft niet vandaag. Allez!’
Hij geeft me een botkrakende klap op m’n schouder waardoor ik bijna al mijn pasverworven geschenken op de grond laat kletteren. ‘Bedankt voor de wijn!’
Stress is hem onbekend. Werk hoeft niet klaar. Morgen gaat alles weer verder. Elke dag opnieuw. Heerlijk.