zaterdag 29 december 2012

West maar niet wild


De ‘Sud-Ouest’ noemen de Fransen de Bordeaux-streek. Ontegenzeggelijk west dus, maar als er iets niet wild is, dan is het wel de wijnwereld in Bordeaux. Fossiele tradities, pedante gewoontes en een administratieve haarkloverij waar je acuut van in coma raakt. Als ik eraan denk, krijg ik jeuk en visioenen van stofnesten in verlaten kamers met traag tikkende grootmoedersklokken. Krankzinnig genoeg brengt juist uit deze streek de lekkerste wijnen ter wereld voort.
Maar niet elke bordeauxwijn is hetzelfde. Men produceert hier wijnen van €1,95, maar ook wijnen met een prijs waarvoor je een professionele huurmoordenaar kunt laten invliegen. Curieus, die immense kwaliteitsverschillen, want bordeauxwijn wordt gemaakt van dezelfde druiven, van dezelfde grond, in hetzelfde klimaat. Uiteraard, er zijn verschillen in microklimaat, terroir en nog zo wat details, maar die vormen geen verklaring voor dit hoog opwaaiende prijsverschil. Het Grote Geheim schuilt in slechts één ding: Liefde. Godvergeten liefde.
Van een fles wijn van €1,95 kun je niks verwachten. En zeker geen liefde. Louter de verpakking kost al zo’n bedrag, dus die wijn kan nooit wat wezen. Maar bij een flesprijs vanaf vijf euro kan een wijnboer zijn wijngaard behandelen zoals dat hoort: milieuvriendelijke landbouw,  oogstreductie, handmatig plukken, geen houtsnippers, maar vaten van Frans eikenhout en betrouwbare vinificatie met thermogereguleerde cuves. Want alleen met liefde (van de wijnboer en van de bank) ben je  in staat om een wijn te produceren die de drinker gelukkig maakt.

Maar aan al die zorg en dure apparatuur zit een bovengrens. Je kunt je druiven verwennen tot in de hemel, je kunt je vinificatie perfectioneren  tot gekmakende precisie, maar op een zeker moment heb je alles gedaan wat menselijkerwijs mogelijk is.  Ik heb het ’ns nagerekend en je mag rustig stellen dat alles boven een prijs van, doe ’ns gek, twintig euro de fles, onzin is. Gebakken lucht. Of vriendelijker gezegd: marketing. Maar dat dondert niet, want de consumptie van zo’n echte, wat ze in Frankrijk noemen ‘Grand Vin’, is een zintuigelijke sensatie van bovennatuurlijke orde. Beursbengels en baksteenpooiers tellen in een restaurant moeiteloos tweeduizend euro neer voor een fles Château Pétrus, maar slikken dat vloeibare goud door zonder te proeven om vervolgens een Cohiba op te steken en onbekommerd verder te kwaken over hun nieuwe Bentley.
Maar wij normale stervelingen, wat gebeurt er met ons bij het nemen van de eerste slok Godenwijn?
Voor de juiste omschrijving van die euforische sensatie moeten we terug naar de kust: Cap Ferret. Daar is het wél wild. Kilometerslange stranden waar de golven op het zand dreunen als de hoefslag van duizend paarden. Ruk je de kleren van het lijf, stort je in de branding en voel de overeen­komst met een slok Grand Vin.  Overdonderend kabaal van wervelende smaakgolven. Een schuim­spattende oerdouche, een pak op je flikker van Moeder Natuur.  Weerloos in een achtbaan van reuzenkracht, meegesleurd door het geweld van de druivenaroma’s. Uit alle macht vechtend om het hoofd koel te houden. Natte lippen, een bek vol vocht, tot ver boven je hoofd ondergedompeld in het vruchtwater van de planeet, het fluïdum waaruit we 65 miljoen jaar geleden aan land kropen. Iets wat we overigens nooit hadden moeten doen. Dan hadden we er nu geheid een stuk relaxter bij gezeten. Luierend op een rots in de zon, verveeld een hardnekkige mossel van onze huid trekkend. Maar anderzijds hadden we dan we er nooit zo’n mooie Grand Vin kunnen ontkurken.